Inleiding
   
© 1998

Discussie

De onderzoeksmethoden

Voor het bepalen van de eiwitbehoefte laten veel onderzoeksmethoden te wensen over. Allereerst geven stikstofbalansstudies slechts ruwe data waarmee snel fouten gemaakt worden (zie par 3.1.3). Dit maakt ze minder geschikt voor nauwkeurige bepalingen. Ook geven ze geen inzicht in het eiwitmetabolisme.

Bepaling van wijzigingen in de lichaamssamenstelling is een goede methode ter bepaling van de eiwitbehoefte van krachtsporters. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de proefpersonen progressie maken. Bepaling van de optimale inname van eiwit kan alleen slagen bij gratie van een duidelijk meetbaar verschil tussen verschillende groepen proefpersonen. In veel studies is dit een probleem; vooral als gevorderde krachtsporters worden onderzocht is er vaak weinig of geen toename in spiermassa. Hetzelfde probleem speelt bij krachtbepalingen. Beginnende krachtsporters aan de andere kant, ondervinden vaak een grote toename in kracht. De invloed die eiwit hierop heeft zal echter gering zijn aangezien deze toename in kracht bij beginnende krachtsporters voornamelijk op neurale factoren is terug te voeren en niet op spiergroei.

Het gebruik van spiermetabolieten voor bepaling van de totale hoeveelheid spiermassa is te zeer omstreden om gebruikt te worden wanneer training verricht wordt. Training kan een directe invloed op de uitscheiding van creatinine en 3-MH hebben. Daarnaast geldt, net als bij andere bepalingen van de spiermassa, dat de bepaling nutteloos is als toename in spiermassa uitblijft.

Van alle methoden die besproken zijn in hoofdstuk 2 blijft slechts één methode over. Het gebruik van metabole tracers lijkt een accurate manier waarmee zowel (spier)eiwitsynthese als eiwitdegradatie gemeten kunnen worden. Voor een goed inzicht in het effect van eiwitconsumptie op het eiwitmetabolisme is het wel van belang dat eiwitsynthese en degradatie gelijktijdig bepaald worden. De tracer methode is op die wijze echter nog niet toegepast in de setting van krachtsport. Ook is deze combinatie nog niet toegepast op spierniveau maar enkel voor het gehele lichaam. Een dergelijke meting van het eiwitmetabolisme over het gehele lichaam is voor onze doelstelling vermoedelijk niet nauwkeurig genoeg vanwege fluctuaties in de zogenaamde labiele eiwitvoorraad (die buiten de spieren gelegen is) tijdens de korte duur van dit type onderzoek. Ook is nog niet bekend of deze korte duur überhaupt een beperking vormt voor het verkrijgen van een goed inzicht in het eiwitmetabolisme. Het herstel en de opbouw van spieren na krachttraining zal ongetwijfeld een proces zijn dat niet lineair in de tijd verloopt. Het is een proces dat dagen in beslag neemt en zich niet laat bestuderen in de enkel uren van een enkele tracer studie. Zo is bekend dat tijdens de slaap groeihormoon wordt afgescheiden en dat na krachttraining de niveau's van verscheidene hormonen fluctueren in de tijd. Dat enkele van deze hormonen een invloed hebben op het eiwitmetabolisme staat zonder meer vast. Misschien dat daarom het gebruik van een reeks opeenvolgende tracers uitkomst kan bieden.


De vier besproken studies


Lemon noemt in een review-artikel (1996) vier studies die recent wetenschappelijk bewijs vormen voor de stelling dat een eiwitinname hoger dan de RDA nodig is voor optimale spiergroei bij krachttraining. Deze studies gebruikt hij ook als basis voor een aanbeveling voor eiwitinname door krachtsporters. Op drie van deze vier studies is in hoofdstuk 3 echter flinke kritiek geuit. Zo is het onderzoek van Fern et al. (1991) een slecht omschreven onderzoek waarin een groep proefpersonen met eiwitsupplement vergeleken wordt met een groep die een energieloos placebo krijgt. Het verschil in energietoediening kan (deels) het verschil in de gevonden eiwitretentie veroorzaken.
In het tweede genoemde onderzoek (Meredith et al., 1992) krijgt de controlegroep eveneens geen extra energie. Dit onderzoek is echter uit zijn verband getrokken omdat de onderzoekers niet het effect van eiwit maar van voeding in het algemeen op de spiergroei willen evalueren. Het is dan ook logisch dat de controle groep geen (iso-energetisch) supplement kreeg, wat in onderzoek naar de effecten van eiwitsuppletie wel noodzakelijk is.
Het derde onderzoek (Lemon et al., 1992) is goed opgezet maar er zijn waarschijnlijk een aantal fouten gemaakt in de stikstofbalansmetingen (zie par. 3.1.3). Aangezien de stikstofbalans bij de groep met de extra eiwitinname hoger uitkwam, trekken de auteurs de conclusie dat meer eiwit op den duur beter zal zijn voor de prestatie. Het consumeren van extra eiwit leverde echter geen verschillen in spiergroei of prestatie bij het betreffende krachttrainingsprogramma in vergelijking met koolhydratensuppletie. Dat Lemon hieruit destilleert dat een eiwitinname hoger dan de RDA noodzakelijk is voor optimale spiergroei is onjuist. Beide eiwitinnamen (1.35 en 2.62 g/kg/d) gaven immers ongeveer dezelfde toename in spiermassa en krachtmetingen terwijl de stikstofbalansmetingen te wensen over lieten. Een vergelijking met de RDA (0.8 g/kg/d) is zelfs niet eens gemaakt.
Het vierde onderzoek van Tarnopolsky et al. (1992) is het enige waarin een vergelijking gemaakt wordt tussen hogere eiwitinnamen (1.4 en 2.4 g/kg/d) en de RDA (0.8 g/kg/d). Hier wordt het bewijs geleverd dat een verhoging van de eiwitinname van 0.8 g/kg/d (de RDA) naar 1.4 g/kg/d effectief is voor een verhoging van de eiwitsynthese bij krachtsporters. Een verhoging van 1.4 naar 2.4 g/kg/d levert daarentegen een kleine maar niet significante toename in de eiwitsynthese op. Alleen deze laatste studie biedt Lemon een basis voor zijn aanbevelingen.


Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek

Wanneer in de toekomst metabole tracers gebruikt worden als methode ter bepaling van de eiwitbehoefte is het belangrijk dat men zich afvraagt welke doelgroep onderzocht moet worden: beginnende of gevorderde krachtsporters? Een overweging zou kunnen zijn dat gevorderden een grotere kans maken een trainingsprogramma vol te houden. Een ander overweging is dat beginners, zeker nadat zij een paar weken getraind hebben, een grotere kans op spiergroei hebben dan gevorderde sporters zodat effecten van eiwitsuppletie eerder zichtbaar kunnen worden. De belangrijkste overweging is, in mijn ogen, echter de vraag waar het onderzoek voor moet dienen. Het is belangrijker te weten wat de optimale eiwitinname voor een gevorderde krachtsporter moet zijn dan voor een beginner. (Her)starten met krachttraining doe je hooguit enkele malen en de vooruitgang is in het begin toch al eenvoudiger te bereiken. Zelfs een negatieve stikstofbalans hoeft voor een beginnende krachtsporter niet te resulteren in verminderde spiergroei doordat endogene eiwitreserves tijdelijk de extra vraag naar eiwitten kunnen bufferen (Lemon, 1995). Bij gevorderde sporters gaat de vooruitgang daarentegen moeizaam zodat een optimale voeding veel belangrijker is. Mijn inziens is daarom het belang van de bepaling van een optimale eiwitinname groter bij gevorderde krachtsporters.

De volgende stap die genomen moet worden in de voorbereiding van een studie is de opstelling van een trainingsprogramma. In het ideale geval is dit trainingsprogramma een weergave van het gemiddelde programma van het type sporter dat onderzocht wordt.
De aanbevelingen die uiteindelijk uit deze studies naar voren komen, kunnen als aanbeveling dienen voor gevorderde sporters in normale situaties. Als er echter sprake is van een hypo-energetisch dieet, extra aerobe activiteiten of periodisering (periodieke wijziging van trainingsprogramma) dan gaan de aanbevelingen niet op. Aangezien deze drie situaties veel voorkomen zal ook hiernaar onderzoek verricht moeten worden.


Niet besproken factoren

Behalve de factoren die hierboven genoemd zijn is het ook belangrijk te kijken naar de leeftijd en het geslacht van proefpersonen. De studies die tot nu toe gedaan zijn naar eiwitbehoefte richten zich voornamelijk op mannen van 20-40 jaar. In hoeverre de resultaten van dit soort studies te extrapoleren zijn naar vrouwen en oudere mensen is moeilijk te zeggen. Tarnopolsky (1993) vermoedt dat de eiwitbehoefte van vrouwelijke duursporters 25-35% lager is dan die van mannen. Of dit ook opgaat voor vrouwelijke krachtsporters is niet bekend. Voor oudere mensen kan krachttraining belangrijk zijn voor het tegengaan van het verlies van spiermassa. Maar door de lagere trainingsintensiteit en trainingsomvang zal de eiwitbehoefte waarschijnlijk lager zijn dan bij jongere mensen.

Praktische overwegingen voor de krachtsporter
De belangrijkste aanbevelingen die op dit moment gedaan kunnen worden voor jonge mannen die aan krachtsport doen en op maximale spiergroei uit zijn, zijn de volgenden:
1) Zorg dat de energie-inname hoger is dan het energieverbruik. Fox et al. (1989) rekenen voor dat 23000 kJ aan energie nodig is voor de opbouw van 1 kilo spierweefsel. Bovendien geven studies aan dat extra energie-inname leidt tot een toename van de stikstofbalans en de afgifte van de anabole hormonen insuline, testosteron en insuline groeifactor 1.
2) Zorg voor een goede aanvoer van voedsel na een training. Dit is de periode waarin de spieren de meeste voedingsstoffen kunnen verwerken omdat de insuline receptoren van de spiercellen nu gevoeliger zijn.
3) In het geval van een hypo-energetisch dieet zal het percentage eiwitten in de voeding hoger moeten liggen dan de aanbevelingen. Dit komt doordat de absolute behoefte aan eiwit toeneemt terwijl de totale hoeveelheid voedsel afneemt.
4) Voor wat betreft de eiwitinname blijkt uit de studie van Tarnopolsky et al. (1992) dat in ieder geval 1,4 g/kg/d nodig is voor maximale lichaamseiwitsynthese bij de betreffende groep proefpersonen op het daar gebruikte trainingsprogramma. Een hogere inname dan dit zou effect kunnen hebben maar dit is niet af te leiden uit de besproken studies.

Een eiwitinname van 2,4 g/kg/d in de studie van Tarnopolsky et al. gaf een lichte maar niet significante toename in de eiwitsynthese van het totale lichaam. Het is niet uit te sluiten dat er nog wel een toename in spiereiwitsynthese of een afname in degradatie bij deze hogere eiwitinname plaatsvindt. Het is in ieder geval duidelijk dat er sprake is van een verminderde meeropbrengst bij hoge eiwitinnamen. De hele hoge eiwitinnamen (4.0-6.2 g/kg/d, Lemon, 1995) van sommige krachtsporters lijken in ieder geval niet gerechtvaardigd.
Om sluitende adviezen te kunnen geven is het noodzakelijk dat meer onderzoek verricht wordt. Hierbij moeten onder andere de in dit artikel besproken factoren meegenomen worden. Verschillende trainingsprogramma's, calorierestrictie, trainingsstatus, aerobe training en de samenstelling van een maaltijd kunnen ieder op zich een effect hebben op de eiwitbehoefte.
Veel krachtsporters willen geen risico lopen wat betreft hun spiergroei en zullen daarom meer eiwit innemen zolang wetenschappelijk onderzoek geen zekerheid kan geven.


Inleiding
   
© 1998