Inleiding © 1998H3: Resultaten van studies naar de eiwitbehoefte van krachtsporters
Een van de bekendste en meest geciteerde schrijvers op het gebied van de relatie tussen eiwit in de voeding en (kracht)sport is Peter W. R. Lemon. Recentelijk (1996) schreef hij in een review-artikel: "Alhoewel al jaren wordt gediscussieerd, geeft recente wetenschappelijke data aan dat een inname van eiwit, groter dan de RDA, zeer waarschijnlijk noodzakelijk is voor optimale spiergroei. Het voordeel van eiwit lijkt echter een plateau te bereiken ruim beneden de innames zoals die geconsumeerd worden door veel krachtatleten."
De wetenschappelijke data waar Lemon op doelt zijn vier studies (Fern et al., 1991; Lemon et al., 1992; Meredith et al., 1992; Tarnopolsky et al., 1992). Met hoofdzakelijk deze studies als achtergrond geeft Lemon een aanbeveling voor eiwitinname door krachttraining van 1.7-1.8 g/kg/d. In par. 3.1 wordt van elk van deze studies de werkwijze, het resultaat en de conclusie besproken. Het krachttrainingsprogramma dat gebruikt is in deze studies wordt afzonderlijk in paragraaf 3.2 behandeld. Paragraaf 3.3 tenslotte, bevat een overzicht van de aanbevelingen voor eiwitinname door krachtsporters zoals deze gegeven worden in enkele recente review-artikelen.Nadat van elk van de te behandelen studies de methode, resultaten en conclusie besproken zijn worden deze van kritiek voorzien. Uit deze kritiek zal blijken dat de eerste drie studies niet gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van de uitspraken die Lemon doet. Dit betekent dat de belangrijkste peilers onder zijn aanbevelingen wegvallen.
De kritiek komt hoofdzakelijk op het volgende neer:
In de eerste studie vergelijkt men twee niveaus van eiwitinname maar houdt men de energiebalans voor beide groepen niet gelijk. Het tweede onderzoek behandelt niet het effect van eiwit maar van voeding in het algemeen op krachttraining. Het derde onderzoek tenslotte bevat een grote methodologische fout.
Verdere algemene kritiek op studies naar eiwitbehoefte van krachtsporters volgt in hoofdstuk vier. Hieruit zal blijken dat algemene aanbevelingen zoals die door Lemon en andere auteurs gedaan zijn (zie par. 3.3) per definitie niet gedaan kunnen worden.
3.1 Bespreking van verschillende studiesMethode:
Fern et al. (1991) beschrijven een onderzoek waarin twaalf mannen (leeftijd: 24 ± 1 j.) gedurende 4 weken een progressief krachttrainingsprogramma volgen (3 maal per week 1 uur). De mannen zijn willekeurig verdeeld in twee groepen. De ene groep ontvangt een eiwitsupplement van 2 g/kg/d, de andere groep een placebo met nagenoeg geen energetische waarde. De eiwitinname via het normale dieet is voor beide groepen 1.3 g/kg/d, ruim boven de ADH en RDA.
De volgende metingen zijn verricht: lichaamsgewicht (dagelijks), lichaamssamenstelling (wekelijks d.m.v. huidplooimeting en onderwaterweging) en 24-uurs stikstofuitscheiding in de urine voor bepaling van de stikstofuitscheiding en ter indicatie van de stikstofbalans (wekelijks). Ten slotte krijgt iedere proefpersoon aan het eind van de vierde week een intraveneuze toediening van N15-glycine om zowel lichaamseiwitsynthese en -afbraak als de eiwitoxidatie te bepalen.
Resultaat:
De toename in lichaamsgewicht is significant groter voor de gesupplementeerde groep dan voor de placebo groep (resp. 2.8 ± 0.9 en 1.5 ± 0.6 kg). De toename is niet geheel vetvrij lichaamsgewicht maar bestaat ook deels uit adipoos weefsel. De auteurs vermelden dat de toename in vetvrije massa ook significant groter is voor de gesupplementeerde groep (geen waarden vermeld). De uitscheiding van stikstof in de urine is 2.5 maal toegenomen in de eiwit-groep terwijl deze praktisch onveranderd is in de placebo-groep. De ruwe stikstofbalansbepaling levert een waarde van +0.1 ± 1.4 g N/d voor de placebogroep en +3.4 ± 3.3 g N/d voor de eiwit groep.
De N15-glycine test geeft aan dat de eiwit-turnoversnelheid van het totale lichaam in beide groepen is toegenomen; synthese en afbraak zijn toegenomen met respectievelijk 20 en 22% in de placebo-groep (niet significant) en met respectievelijk 105 en 107% in de gesupplementeerde groep (significant).
Behalve de turnover is ook een toename van de eiwitoxidatie met 159% geconstateerd in de gesupplementeerde groep.Conclusie:
De auteurs concluderen dat eiwitsuppletie (in combinatie met krachttraining) leidt tot een grotere toename in vetvrije massa.
Het valt hen op dat het grootste deel van het eiwitsupplement geoxideerd is en daarmee het belangrijkste homeostatische mechanisme blijkt te zijn voor het handhaven van de vrije aminozuurvoorraad in het lichaam. Naast de oxidatie zorgt de suppletie tevens voor een verdubbeling van de eiwit-turnover snelheid wat volgens Fern et al. bepalend zou kunnen zijn voor de mate van aanwas van vetvrije massa. Ook in andere literatuur wordt een toename in eiwit-turnover geassocieerd met snelle groei (Fern at al., 1991; Millward & Rivers, 1986).Kritiek:
Fern et al. beschrijven het experiment heel summier zodat er voor de lezer geen zicht is op bijvoorbeeld de initiële trainingsstatus van de proefpersonen en de mate van controle op de voedselinname. Met name de energie-inname is een zeer belangrijke factor voor de stikstofbalans (Butterfield, 1987) en kan daarmee de groei in grote mate bepalen. Het is dan ook verwonderlijk dat de placebogroep een energieloos supplement kreeg. Immers, wordt nu het effect van het eiwit gemeten of van het energetisch overschot (in dit geval ± 2300 kJ voor een persoon van 70 kg)?
Het is ook niet duidelijk of de placebogroep in energiebalans is en of het dieet compenseert voor het toegenomen energieverbruik als gevolg van de training. Dit is van belang aangezien een energietekort, als gevolg van een verlaagde inname en/of een verhoogd verbruik, kan leiden tot een lagere stikstofbalans (Butterfield, 1987; Göranzon & Forsum, 1985).
(In hoofdstuk 4 wordt het effect van de energiebalans op de eiwitbehoefte verder toegelicht).Methode:
Het onderzoek van Meredith et al. (1992) wijkt wat af van de andere studies die ik bespreek, in die zin dat de 11 proefpersonen oudere mannen zijn van 61 tot 72 jaar (gem.:64.8 ± 2.3 j) in plaats van jonge mannen die veelal gebruikt worden in dit soort studies.
In deze studie laat men de ongetrainde proefpersonen gedurende 12 weken de beenextensoren en beenflexoren trainen. Zes mannen krijgen daarnaast een supplement. Het supplement levert 0.33 g eiwit/kg/d, 0.35 g vet/kg/d en 0.87g koolhydraten/kg/d en bevat gemiddeld een totale energetische inhoud van 2.345 kJ. Aan de controlegroep wordt geen supplement of placebo verstrekt.
De lichaamssamenstelling is meerdere malen gemeten met onderwaterweging en vanwege de leeftijd van de proefpersonen is met fotondensiometrie ook de dichtheid van de botten bepaald. Tevens zijn de creatinine-uitscheiding en huidplooidikte bepaald.
Van de benen is de omvang bijgehouden en zijn CAT-scans gemaakt.
De energie-inname is geschat aan de hand van 3-daagse dieetverslagen welke gemaakt zijn aan het begin van week 0, 6 en 12.Resultaat:
Na afloop van de studie is aan de hand van CAT-scans te zien dat beide groepen een significante toename vertonen in de dwarsdoorsnede van de dijbeenspier. Deze is significant groter voor de gesupplementeerde groep dan voor de controle groep. Beide groepen tonen een grote toename in kracht waarbij geen significant verschil gemeten is.
Op andere factoren toont alleen de gesupplementeerde groep en toename: gewicht, subcutaan vet op het dijbeen en creatinine-excretie.Conclusie:
De onderzoekers hebben deze studie uitgevoerd om de waarde van een voedingssupplement met alle macronutriënten (koolhydraten, eiwit en vet) bij rehabilitatie van ouderen in te kunnen schatten. Zij trekken de conclusie dat inname van extra voeding naast een krachttrainingsprogramma invloed heeft op de toename van zowel vet- als spiermassa.Kritiek:
Op de conclusie van de auteurs is op enkele punten kritiek te leveren. Zo is de controle op de voedingsinname gering door slechts gebruik te maken van 3 maal een 3-daags dieet verslag over de periode van 12 weken die de studie duurde. Een nauwkeurige analyse is echter cruciaal aangezien de inname van energie een grote invloed heeft op de stikstofbalans en daarmee ook de groei van spieren.
Ook kan de afwezigheid van een placebo verschillen geven. Zo kan de experimentele groep extra trainingsmotivatie krijgen door gebruik van het supplement terwijl de controlegroep het zonder bijzondere behandeling moet stellen.Lemon noemt in zijn review-artikel het bovenstaande onderzoek sterk wetenschappelijk bewijs dat extra eiwitten in de voeding de toename van spiermassa als gevolg van krachttraining kan vergroten. Deze conclusie kan echter niet zonder meer getrokken worden. Het supplement in dit onderzoek bestaat namelijk niet alleen uit eiwit maar eveneens uit koolhydraten en vetten met een totale energetische waarde van gemiddeld 2.345 kJ. Voor evaluatie van de effecten van eiwit moet de controlegroep evenveel energie krijgen en enkel een geringere hoeveelheid eiwit. De controlegroep kreeg echter helemaal geen supplement en dus geen extra energie (ze kreeg zelfs niet eens een placebo!).
Het doel van Meredith et al. was dan ook niet het effect van eiwitten op zich te testen maar het effect van een compleet voedingssupplement bestaande uit 17 energieprocent (E%) eiwit, 43 E% koolhydraat en 40 E% vet met daarin nog eens mineralen (75% RDA) en vitamines (25% RDA).
Tenslotte kan gesteld worden dat de onderzochte populatie moeilijk vergelijkbaar is met krachtsporters. De personen zijn ouder en ze doen voor het eerst krachttraining terwijl ze daarvoor een inactieve levenswijze hadden. De reactie van het lichaam op de prikkel van krachttraining zal bij deze ouderen waarschijnlijk heel anders zijn dan bij (jonge) sporters.Methode:
In een dubbelblind onderzoek van Lemon et al. (1992) krijgen 12 proefpersonen een iso-energetische hoeveelheid eiwit of koolhydraten. Gedurende een maand volgen de ongetrainde proefpersonen tevens een omvangrijk bodybuildingprogramma. Na deze maand wisselen de groepen van dieet en trainen zij nog een tweede maand. De twee verschillende diëten worden gescheiden door een 7 dagen durende aanpassingsperiode. De koolhydraatgroep heeft een eiwitinname van 1.35 g/kg/d terwijl de eiwitgroep 2.62 g/kg/d krijgt.
Verschillende parameters zijn pre- en post-test vergeleken tussen de groepen: stikstofbalans, kracht (vrijwillig en elektrisch gestimuleerd), spiermassa (door bepaling van dichtheid, creatinine-excretie, spierdwarsdoorsneden van been en arm [CAT-scan], en het stikstof gehalte van de biceps) en subcutaan vet van been en arm [CAT-scan]. Ook wordt in de laatste week gedurende drie dagen de stikstofbalans bepaald.Resultaat:
Ondanks het feit dat de eiwitinname van de koolhydraatgroep ruim boven de RDA ligt (67% hoger) is de stikstofbalans in deze groep negatief: -3,4 ± 1,9 g/d. Dit komt overeen met een eiwitverlies van 21.3 ± 12.4 gram per dag! De eiwitgroep daarentegen heeft een stikstofbalans van 8.9 ± 4.2 g/d ofwel een netto eiwitopname van 55.6 ± 26.3 g/d.
Deze stikstofbalans-gegevens doen vermoeden dat het trainen in de eiwitgroep na een maand geleid moet hebben tot een aanzienlijke toename in vetvrije massa (zo'n 7.8 kg als het puur ten gunste van spiermassa komt) terwijl de koolhydraatgroep spiermassa heeft moeten inleveren.
De resultaten van alle andere metingen geven echter geen significante verschillen tussen de twee dieetgroepen aan. Op sommige punten zijn de beide groepen verbeterd (bijv. spiermassa van de bovenarm en enkele krachtsindices), maar de meeste metingen geven geen verschil tussen de pre en post-test metingen (bijv. lichaamsgewicht, lichaamsdichtheid, subcutaan vet en spiermassa van het dijbeen) bij beide groepen.Conclusies:
Uit deze gegevens kan geconcludeerd worden dat 1.35 en 2.62 g eiwit/kg/d tijdens de eerste maanden van dit bodybuildingprogramma gelijke resultaten teweeg brengt.
Lemon et al. interpoleren uit de bepalingen van de stikstobalans dat een stikstofevenwicht bereikt wordt bij 1.4 -1.5 g eiwit/kg/d. Met een veiligheidsmarge van 2 SD geven zij daarom een aanbeveling voor eiwitinname bij beginnende bodybuilding van 1.6-1.7 g/kg/d.Kritiek:
De zeer hoge stikstofbalans voor de eiwitgroep zonder een bijkomende toename in spiermassa kan niet geheel verklaard worden door de auteurs. Wel noemen zij enkele factoren die problemen kunnen opleveren bij stikstofbalansstudies in het algemeen en die de hoge uitkomst van deze stikstofbalansstudie ten dele zou kunnen verklaren:1) Overschatting van inname en onderschatting van uitscheiding van stikstof.
2) Langzame fysiologische adaptatie aan veranderde eiwitinname.
3) Energie-inname als storende variabele voor de stikstofbalans.
4) Opslag van stikstof beneden de detectielimiet.
5) Verlies van stikstof als moleculair N2Factor 1 is inderdaad een probleem welke in veel stikstofbalans studies een rol kan spelen en groter wordt naarmate minder gecontroleerd te werk wordt gegaan. Factor 2 is voor de eiwitgroep nauwelijks van toepassing aangezien de stikstofbalans bepaald werd over een periode van drie dagen nadat de groep al 3 weken deze eiwitinname had. De aanbevolen periode voor aanpassing aan een veranderde hoeveelheid eiwit in de voeding ligt tussen de 5 en 10 dagen (Lemon & Proctor, 1991; Scrimshaw, 1996).
De energie-inname (factor 3) is gelijk voor beide groepen over de gehele periode en kan daarom niet als storende variabele optreden. Factor 4 kan ook geen rol van belang spelen aangezien het hier om zeer grote hoeveelheden "verloren" stikstof gaat. Tenslotte zijn de verliezen aan moleculair stikstof (factor 5) volgens de auteurs ook gering.
Overschatting van de inname en onderschatting van de uitscheiding van stikstof lijken de meest voor de hand liggende verklaringen voor de sterk positieve stikstofbalans in de met eiwit gesupplementeerde groep.Factor 2 kan evenwel een zeer grote rol spelen bij de negatieve stikstofbalans die werd gemeten in de met koolhydraat gesupplementeerde groep! De eiwitinname over de periode van een maand is voor deze groep namelijk niet gelijk aan de inname gedurende de drie dagen van de stikstofbalansstudie! Nadat aan de proefpersonen drie weken 1,35 g/kg/d eiwit werd verstrekt, kregen zij gedurende de drie dagen van de stikstofbalans metingen slechts 0.99 g/kg/d. De reden hiervoor is niet vermeld, maar waarschijnlijk gaat het hier om een ongelukkige fout. Deze plotseling afgenomen eiwitinname kan tijdelijk een negatieve stikstofbalans veroorzaken aangezien het lichaam is ingesteld op een hogere inname. Zoals eerder gezegd heeft het lichaam tijd nodig om zich in te stellen op een nieuw niveau van eiwitinname. Het lichaam gaat dus tijdelijk door met het afbreken van eiwitten alsof het nog een ruim aanbod krijgt.
Lemon et al. gaan er van uit dat de negatieve stikstofbalans van de koolhydraatgroep correct is. Zij redeneren dat het gemeten stikstofverlies ten koste is gegaan van een zogenaamde labiele eiwitvoorraad. Dit zijn eiwitten in organen als de lever, nieren en darmen die gemakkelijk opgeofferd kunnen worden voor ander doeleinden zoals bijvoorbeeld de toename in spiermassa van de arm welke gemeten is. Zij zeggen evenwel dat zo'n grote stikstofmobilisatie (95 gram stikstof) niet onbeperkt door kan gaan; uiteindelijk zal de vooruitgang in spiergroei en kracht verminderen. Zij verklaren echter niet waarom dit verlies aan labiel eiwit niet weerspiegeld wordt in een verlies van vetvrij lichaamsgewicht.
Al met al lijkt deze studie teveel fouten te bevatten om hem te gebruiken als leidraad in de aanbevelingen voor eiwitinname bij krachttraining.
Methode:
Een andere studie uit 1992 is die van Tarnopolsky et al.. Zij gebruiken een leucine tracer en de stiktofbalans methode om de eiwitbehoefte van niet-sporters (n=6) met jonge mannelijke krachtsporters (n=7, 3 tot 9 maanden trainingservaring) te vergelijken. Beide groepen zijn gemeten bij drie verschillende niveau's van eiwitinname: 0.8 (RDA), 1.4 en 2.4 g/kg/d. Elk niveau van eiwitinname duurde 13 dagen. De energieinname bleef hierbij constant. De perioden van verschillende eiwitinname zijn gescheiden door een periode met een zelfgekozen dieet. De laatste 3 dagen van iedere dertiendaagse periode is de stikstofbalans bepaald.Resultaat:
Uit de stikstofbalans-gegevens kan worden opgemaakt dat de niet-sporters in balans zijn bij een eiwitinname van 0.69 en de krachtsporters bij een inname van 1.41 g/kg/d. De onderzoekers tellen hierbij éénmaal de standaarddeviatie op en komen daarmee op aanbevelingen van respectievelijk 0.89 en 1.76 g/kg/d. Voor de niet-trainende proefpersonen is de aanbeveling van 0.89 g/kg/d dicht in de buurt van de RDA.Verder blijkt uit de resultaten van de leucine tracer dat de eiwitsynthese (opname van gelabeld leucine in het lichaam) bij deze krachtsporters toeneemt als zij van 0.8 naar 1.4 g/kg/d gaan terwijl de leucine-oxidatie niet toeneemt. Als de eiwitinname vervolgens verder wordt verhoogd naar 2.4 g/kg/d neemt de eiwitsynthese niet meer significant toe terwijl de leucine-oxidatie wel toeneemt.
Bij de niet-sporters treedt al geen vermeerdering op van de eiwitsynthese bij een toename van de eiwitinname van 0.8 naar 1.4 g/kg/d.Conclusie:
De auteurs concluderen dat krachtsporters een hogere eiwitbehoefte hebben dan niet-sporters en dat deze behoefte de RDA overstijgt. Naar aanleiding van dit onderzoek concludeert Lemon in een review uit 1995 dat de eiwitinname van krachtsporters ergens tussen de 1.4 en 2.4 g/kg/d moet liggen aangezien tussen deze waarden de leucine-oxidatie nog stijgt maar de eiwitsynthese niet meer significant toeneemt.Kritiek:
De onderzoeksmethode in deze studie lijkt zeer geschikt voor de bepaling van eiwitbehoeften. De onderzoekers benadrukken dit door er op te wijzen dat de aanbevelingen voor eiwitinname van niet-sporters die naar aanleiding van deze stikstofbalans-resultaten gedaan zijn, goed overeen komen met de RDA-waarde. Zij vergeten hierbij echter dat de RDA een marge omvat van 0.35 gram en dat de eigenlijke gemiddelde eiwitbehoefte slechts 0.45 gram is. De uitkomst van deze studie zit daar duidelijk boven en wijkt dus juist behoorlijk af van de oorspronkelijke RDA studies.Met dit onderzoek van Tarnopolsky et al. in gedachten, betoogt Lemon dat als eiwitsynthese niet meer stijgt en de eiwitoxidatie toeneemt, extra eiwit geen effect meer zal hebben op de spiergroei (Lemon, 1995). Inderdaad suggereren de onderzoekers zelf ook dat de optimale eiwitinname overschreden wordt op het moment dat er een toename in aminozuur-oxidatie plaats vindt. Millward & Rivers (1989) spreken in hun "Anabolic drive theory" echter over de mogelijkheid van essentiële aminozuren om, voordat ze geoxideerd worden, groei en eiwit-turnover te reguleren door de activatie van verschillende hormonen en metabole processen. De oxidatie van deze essentiële aminozuren moet volgens hen dan ook gezien worden als deel van de eiwitbehoefte van mensen en niet als slechts een bron van energie.
3.2 De factor krachttraining (in de studies naar de relatie tussen krachttraining en eiwitinname)3.2.1 De krachttrainingsprogramma's van de 4 studies
Verschillende trainingsprogramma's kunnen verschillende uitwerkingen hebben op het lichaam en spieren. Hierdoor is het mogelijk dat het trainingsprogramma invloed heeft op de eiwitbehoefte. De invloed van een trainingsprogramma op het lichaam is evenwel afhankelijk van de ervaring die een proefpersonen heeft met de betreffende training.
Hieronder wordt kort (voor zover mogelijk) weergegeven hoe de trainingsprogramma's van de vier besproken studies er uit zien en hoe de getraindheid van de proefpersonen is geweest. De mogelijke implicaties van deze factoren voor de eiwitbehoefte worden besproken in hoofdstuk 4.
eerste studie Het onderzoek van Fern et al. is, over het geheel gezien, besproken met weinig aandacht voor details. De auteurs vermelden alleen dat 3 maal per week gedurende een uur getraind werd met oefeningen voor 7 grote spiergroepen (armflexoren en -extensoren, borstspieren, rugspieren, schouderspieren, kniestrekkers en kuitspieren). Elke training is gekeken of het gewicht verhoogd kon worden.
Er is helaas geen informatie gegeven over de getraindheid van de proefpersonen.tweede studie Meredith et al. hadden de bedoeling het effect van een voedingsupplement (17% eiwit, 43% koolhydraten, 40% vet) op een revalidatieprogramma te evalueren.
Dit revalidatieprogramma wijkt af van de standaard kracht-/bodybuilding programma's in die zin dat alleen de beenflexoren (buigers) en extensoren (strekkers) getraind worden in plaats van alle grote spiergroepen.
Het programma is als volgt: elke week is voor de twee oefeningen (beenextensie en beenflexie) het maximale gewicht bepaald waarmee eenmaal de beweging kan worden uitgevoerd, de zogenaamde " One repetition maximum" (1RM). Gedurende de week wordt drie maal getraind met 80% van de 1RM, waarbij elke training bestaat uit 3 series van 8 herhalingen voor beide oefeningen. De proefpersonen hadden geen ervaring met krachttraining.derde studie De proefpersonen in de studie van Lemon et al. hebben een omvangrijk trainingsprogramma voor de kiezen gekregen onder begeleiding van professionele bodybuilders. Verdeeld over drie dagen werden alle grote spiergroepen getraind. De vierde dag begon de cyclus opnieuw en de zevende dag was een rustdag. Elke training werden 5-8 oefeningen gedaan van 4 series per stuk en elk werd voorafgegaan door 1 warming up serie. In iedere serie zijn zoveel mogelijk herhalingen uitgevoerd met 70-85% van de 1RM. Als de kracht toenam werd de weerstand verhoogd.
De omvang en intensiteit van dit trainingsprogramma zijn opmerkelijk gezien het feit dat de proefpersonen nooit eerder krachttraining hadden verricht. Alleen gedurende de week voorafgaand aan het experiment hebben de proefpersonen getraind om een correcte gewichthef-techniek aan te leren en om spierpijn te voorkomen.vierde studie De studie van Tarnopolsky et al. vergelijkt krachtsporters met niet-sporters. Drie personen hadden zo'n 3 maanden getraind terwijl de resterende 4 proefpersonen in deze groep minimaal 2 maanden ervaring hadden. Tarnopolsky et al. hebben de proefpersonen hun eigen trainingsprogramma laten volgen. Dit bestaat voor de eerste drie personen voor 100% uit "circuit weight training" en voor de andere 4 (rugby spelende) proefpersonen voor 30% uit "rugby drills" en 70% "circuit weight training". Er wordt geen verdere uitleg gegeven over de inhoud van deze trainingen.
Alleen de tweede dag van de stikstofbalansbepaling werd een gestandaardiseerd programma gevolgd (9 oefeningen, elk 3 series van 10 herhalingen bij 75% van het 1RM). De eerste dag van de stikstofbalansbepaling volgden de proefpersonen hun eigen programma en de derde dag was een rustdag.3.2.2 Bespreking van de krachttrainingsprogramma's
Tarnopolsky et al. (1992) en Fern et al. (1991) hebben de door hen gebruikte trainingsprogramma's niet duidelijk omschreven waardoor het lastig is deze studies te vergelijken met die van Meredith et al. (1992) en Lemon et al. (1992).
Om een indicatie te geven van de verschillen in deze laatste twee studies zijn in tabel 3.1 de betreffende programma's vergeleken.Tabel 3.1: Twee studies vergeleken op verschillende punten
Meredith et al., 1992 Lemon et al., 1992 Spiergroepen Beenextensoren en -flexoren Vrijwel het complete lichaamTrainingsomvang
(series per week) 18 156
(Excl. warming up) Trainingsdagen 3 6 Trainingservaring Geen Geen
De twee programma's zijn op drie van de in tabel 3.1 genoemde punten zeer verschillend.
Er zijn echter nog meer factoren die onbesproken en misschien ook ongecontroleerd zijn gebleven. Van belang kunnen bijvoorbeeld zijn:
* snelheid van uitvoering
* intensiteit van training
* lengte van de rust tussen de series
* het type oefening dat wordt gedaan
Het is de vraag of het gebruik van zeer verschillende trainingsprogramma's in het onderzoek naar de eiwitbehoefte geen extra variatie in de uitkomsten heeft geïntroduceerd. De bespreking van de mogelijke invloed van de factoren trainingsomvang, snelheid van uitvoering en trainingservaring op de eiwitbehoefte vindt plaats in hoofdstuk 4.
3.3 Aanbevelingen voor eiwitinname vanuit de literatuurNa de uitvoerige bespreking van enkele studies in dit hoofdstuk zal ik nu een klein overzicht geven van de aanbevelingen die gedaan worden in review-artikelen. Het is belangrijk te vermelden dat de zojuist besproken studies zwaar meetellen in deze aanbevelingen. De reden dat deze studies zo zwaar meewegen ligt in het beperkte aantal recente studies dat gedaan is naar de relatie tussen eiwitinname en krachttraining en de twijfelachtige validiteit van veel oudere studies. Een overzicht van de aanbevelingen wordt gegeven in Tabel 3.2
Tabel 3.2: Aanbevelingen voor eiwitinname in gram per kilogram lichaamsgewicht per dag
Review-artikel Aanbeveling (ten hoogste) (g/kg/d) Lemon, 1991 1.5-2.0 Lemon, 1995 1.4-1.8 Lemon, 1996 1.7-1.8 Tarnopolsky, 1993 1.7 (beginners), 1.2-1.7 (gevorderden)
In een aantal review-artikelen wordt de uiteindelijke aanbevolen eiwitinname (eveneens) uitgedrukt als percentage van de energie-inname. Aangezien sporters vaak een hoger energieverbruik hebben komt een bepaald energiepercentage aan eiwit automatisch overeen met een hogere eiwitinname. De aanbevelingen voor eiwitinname als percentages van de dagelijkse energie-inname zijn weergegeven in tabel 3.3.
Tabel 3.3: Aanbevelingen voor eiwitinname uitgedrukt in procenten van de energie- inname
Review-artikel Aanbeveling (ten hoogste) (energieprocenten) Kreider et al., 1993 15% Lemon, 1991 12-15% Lemon & Proctor, 1991 12-15% Lemon, 1995 10% "voor de meeste sporters" Paul, 1989 15%
Uit deze aanbevelingen kan opgemaakt worden dat 15% van de energieinname in de vorm van eiwitten een veilige aanbeveling moet zijn. Ter vergelijking: de eiwitinname van inwoners van de VS is zo'n 16%, waarbij weinig variatie te bemerken is met betrekking tot ras, geslacht en inkomen (Pellett, 1990). Ook voor Nederlanders is de gemiddelde eiwitinname 16% (Nederlandse Voedingsmiddelentabel, 1994).
Veel auteurs benadrukken dat een (top)sporter daarom voor naleving van de door hen gedane aanbevelingen geen extra eiwitten hoeft in te nemen (bijvoorbeeld in de vorm van poeders met eiwitconcentraat).
Lemon rekent voor dat 10% eiwit bij een energie-inname van 21000kJ neerkomt op 126 gram of 1.8g/kg/d voor een persoon van 70 kg (100 g eiwit = 1640kJ) (Lemon, 1995). Dit is echter een erg hoge energie-inname voor een krachtsporter van dat gewicht. Om dit te illustreren is het onderzoek van Faber et al. (1986) een goed voorbeeld. Zij onderzochten het voedingspatroon van 76 bodybuilders en kwamen op een gemiddelde energie-inname van 15000kJ bij een gemiddeld lichaamsgewicht van 82kg. Vijftien procent eiwit zou hier neerkomen op 137 gram ofwel 1,67 g/kg. Enkele aanbevelingen liggen hoger dan 1,67 g/kg/d wat zou kunnen betekenen dat een eiwitinname van 10 energieprocenten te laag is voor deze groep bodybuilders. Gezien de natuurlijk spreiding in energie-inname tussen mensen zullen er ook krachtsporters zijn die een relatief (t.o.v. gewicht) lagere energie-inname hebben. Voor sommigen zou zelfs een inname van 15 energieprocent uit eiwit op een lagere eiwitinname uitkomen dan enkele van de aanbevelingen die in gram per kg lichaamsgewicht gedaan zijn.De bespreking van enkele recente studies aan het begin van dit hoofdstuk leverde een flinke hoeveelheid kritiek op. Het is daarom de vraag of de aanbevelingen die voor een belangrijk deel bepaald zijn aan de hand van deze studies, hard te maken zijn.
In de kritiek op twee van de besproken studies is bijvoorbeeld duidelijk geworden dat met een variabele als de energiebalans geen rekening is gehouden.
Deze en andere factoren, die mee kunnen wegen in de bepaling van de ideale eiwitinname voor krachtsporters, zullen worden besproken in hoofdstuk 4.