Inleiding
   
© 1998

H4: Factoren die de eiwitbehoefte beïnvloeden

Inleiding

In dit vierde hoofdstuk worden factoren besproken die een invloed kunnen hebben op de eiwitbehoefte en daarom van belang zijn in de discussie over de eiwitbehoefte van krachtsporters. Enkele hiervan zijn al even aangekaart in hoofdstuk 3 maar worden hier verder toegelicht.

De factoren die in dit hoofdstuk aan de orde komen zijn:

* Het krachttrainingsprogramma (snelheid, geleverde arbeid)
* De trainingsstatus (beginnende versus gevorderde sporters)
* De energiebalans
* Hormonale effecten van koolhydraten en eiwitten in het dieet.
* Ex
tra aërobe training

Door de mogelijke invloed van deze factoren op de eiwitbehoefte van krachtsporters is het noodzakelijk dat deze gecontroleerd worden in wetenschappelijke studies. Uiteindelijk zal onderzoek moeten uitwijzen hoe groot de effecten precies zijn voor wat betreft de eiwitbehoefte. Als deze effecten groot zijn dan is het per definitie onmogelijk om algemeen geldende aanbevelingen te doen zoals die door verscheidene auteurs gedaan zijn (zie par. 3.3). Krachtsporters verschillen immers behoorlijk op factoren als trainingsprogramma, energiebalans, en trainingsstatus.
Van aerobe training is inmiddels bekend dat het de eiwitbehoefte verhoogd en ongeveer in welke mate. Aangezien aerobe training de eiwitbehoefte laat toenemen via een ander mechanisme dan krachttraining leidt een combinatie van deze twee typen trainingen tot een hogere eiwitbehoefte dan deze twee trainingen afzonderlijk.

Helaas is er tot op heden geen enkele studie naar de eiwitbehoefte van krachtsporters geweest waarin alle de aspecten die in dit hoofdstuk naar voren komen, besproken worden als gecontroleerde of experimentele factor. Daardoor is van de resultaten van alle studies die tot nog toe gedaan zijn, de relevantie voor de praktijk moeilijk in te schatten.

4.1 Het krachttrainingsprogramma

Dat krachttraining een grote invloed heeft op de eiwitbehoefte is ontegenzeglijk aangetoond. Hebben alle verschillende typen krachttraining echter eenzelfde uitwerking op deze behoefte? Er zijn verschillende aspecten van een krachttrainingsprogramma die niet besproken worden in studies, maar die ieder op zich, een invloed kunnen hebben op het eiwitmetabolisme.
Het trainingsprogramma zelf wordt vaak (uitvoerig) omschreven. Helaas wordt alleen in enkele review-artikelen gespeculeerd over de mogelijke effecten van bijvoorbeeld de omvang van het programma op de eiwitbehoefte. Wetenschappers zouden zich juist voorafgaand aan een onderzoek hierop moeten bezinnen.
In deze paragraaf worden twee belangrijke variabelen van krachttrainingsprogamma's besproken. Deze zijn de snelheid van de bewegingsuitvoering en de totale trainingsarbeid. Wat in deze paragraaf verteld wordt is vrij speculatief maar geeft wel aan dat het noodzakelijk is niet zomaar voorbij te gaan aan deze aspecten.

4.1.1 Snelheid van de bewegingsuitvoering

Het belang van de snelheid waarmee oefeningen worden uitgevoerd kan in de volgende stappen uitgelegd worden:
1) Excentrische contracties (het laten zakken van een gewicht) zijn onvermijdelijk bij dynamische krachttraining. Deze contracties genereren hoge krachten in de spier hetgeen kan leiden tot spierpijn en spierschade (Evans, 1991; Jones & Round, 1990).
2) De opgetrede schade aan de spier manifesteert zich in de vorm van spiervezelnecrose (afsterving) en het verlies van enzymen via het bloed. Enkele dagen later is een ontstekingsproces gaande en worden spiervezels geregenereerd (Jones & Round). De metabole veranderingen die plaats vinden tijdens het proces van herstel kunnen een verhoogde eiwitbehoefte veroorzaken (Evans, 1991).
3) Een hogere snelheid bij een excentrische contractie veroorzaakt grotere krachten in de spier (Jones & Round) en kan daardoor meer schade aanrichten dan een lage snelheid.
Een hogere uitvoeringssnelheid van de excentrische fase kan theoretisch dus in grotere mate leiden tot de hierboven beschreven processen en daarmee een hogere eiwitbehoefte creëren. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat het een betere stimulans voor spiergroei geeft.

4.1.2 Omvang van het trainingsprogramma (arbeidsvolume)

Een factor die wat duidelijker beschreven wordt in de verschillende studies is de omvang van het trainingsprogramma, die veel varieert tussen verschillende programma's.
In de studie van Lemon et al. (1992) is het duidelijk dat de onderzoekers er niets aan gelegen laten om de spieromvang van hun proefpersonen maximaal te laten toenemen. In de hoop dit te bereiken hebben zij een uitgebreid trainingsprogramma opgesteld en laten zij professionele bodybuilders de proefpersonen begeleiden. Lemon et al. zijn er waarschijnlijk van uit gegaan dat het grote arbeidsvolume de netto eiwitsynthese optimaal stimuleert.
Het is echter de vraag of een dergelijk uitgebreid programma betere resultaten oplevert dan een programma met een geringer arbeidsvolume. Volgens het "overload principe" zal een spier zich aanpassen als de intensiteit van een taak hoger is dan tot dan toe is voorgekomen (Fox et al., 1989). Als dit principe vertaald wordt naar krachttraining betekent dit dat voor elke oefening slechts één serie herhalingen verricht hoeft te worden. Voorwaarde is dan wel dat, ten opzichte van de vorige training, het aantal herhalingen verhoogd wordt en/of met meer gewicht uitgevoerd wordt.
Een variant op deze theorie wordt in de praktijk uitgevoerd door de wereldkampioen bodybuilding van 1992-1997, Dorian Yates, die 5-6 maal korter traint dan de meeste van zijn directe concurrenten.

Misschien geven zowel trainingen met een gering arbeidsvolume als trainingen met een groot arbeidsvolume goede resultaten. In ieder geval worden beide typen programma's in de praktijk gebruikt en beide typen programma's hebben zo hun voor- en nadelen. Het is daarom een belangrijke vraag of het arbeidsvolume invloed heeft op de optimale eiwitinname.

In de vorige paragraaf werd reeds besproken dat de schade die in een spier aangericht wordt door excentrische contracties de eiwitbehoefte kan laten toenemen. Een logisch gevolg van een programma waarin meer series en dus een groter totaal aantal herhalingen wordt uitgevoerd is dat ze evenredig meer excentrische contracties bevat. De schade zal daardoor vermoedelijk groter zijn, wat betekent dat meer weefsel hersteld zal moeten worden ten koste van een grotere hoeveelheid eiwit. Ook hier hoeft, zoals genoemd in de vorige paragraaf, de eventueel grotere eiwitbehoefte niet te betekenen dat de spiergroei groter zal zijn. Als dit extra eiwit alleen ten goede komt aan herstel van het beschadigde spierweefsel dan wordt geen extra spiermassa gevormd.

Gelukkig kan een spier zich aanpassen aan de schadelijke werking van excentrische contracties. Door deze aanpassing zullen de effecten van excentrische contracties op de spier verminderen. Daarmee zou het veronderstelde effect op de eiwitbehoefte ook deels verdwijnen. Deze aanpassing komt verder aan de orde in de paragraaf 4.2.

4.1.3 Conclusie invloed krachttrainingsprogramma

In paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 is al gebleken dat in verschillende publicaties weinig details gegeven worden over het gebruikte trainingsprogramma. Ook al zouden wel alle details zijn vastgelegd, dan nog is niet bekend wat voor een invloed deze aspecten van krachttraining precies op het lichaam hebben. Dit is misschien ook de reden dat in beschrijvingen van studies geen verbanden worden gelegd tussen de invulling van een trainingsprogramma en de eiwitbehoefte.
In deze paragraaf zijn slechts twee aspecten van krachttraining besproken terwijl bijvoorbeeld zaken als intensiteit van training en trainingsfrequentie (hoe vaak een spier wordt getraind) ook van belang kunnen zijn. Als de besproken en niet besproken aspecten van krachttraining inderdaad een (grote) invloed hebben op de eiwitbehoefte, dan is het moeilijk om algemeen geldende aanbevelingen voor eiwitinname te doen.
Voor het onderzoek naar de eiwitbehoefte zou het verhelderend zijn als trainingsprogramma's meer op één lijn zitten. Het is daarom aan te bevelen een serie studies te doen waarbij in ieder geval de trainingsprogramma's zoveel mogelijk gelijk zijn.


4.2 De trainingsstatus (beginnend versus gevorderd)

Als iemand voor het eerst krachttraining doet, heeft hij/zij grote kans dat de volgende dag spierpijn optreedt. Als na enkele dagen spierbiopten worden genomen blijkt dat een groot deel van de spiervezels ernstig beschadigd is (Jones & Round, 1990). Dit verschijnsel wordt geweten aan de intense excentrische contracties (zie paragraaf 4.1.1) die typerend zijn voor krachttraining en in het dagelijks leven weinig voorkomen. Gedurende het herstel van de spier vinden allerlei processen plaats die een verhoogde eiwitbehoefte veroorzaken (Evans W.J., 1991). De periode die nodig is voor volledig herstel bedraagt zo'n 3-4 weken (Jones & Round, 1990) en in die periode kan een hogere eiwitinname gunstig zijn.
Wanneer het lichaam eenmaal hersteld is van deze eerste training blijkt het lichaam gedurende langere tijd (plusminus 6 weken) beter beschermd te zijn tegen de schadelijke effecten van excentrische contracties. Als de persoon krachttraining blijft verrichten dan blijft de bescherming ook in stand.

Kreider et al., (1993) noemen een andere reden voor de toegenomen eiwitbehoefte bij beginnende krachttraining. Zij denken dat deze veroorzaakt wordt door een toegenomen netto eiwitsynthese in het skeletspierweefsel. De toegenomen afbraak van rode bloedcellen en plasma eiwitten, die bij beginnende krachttraining is geconstateerd, is volgens hen een methode van het lichaam om aan de extra vraag naar eiwitten te voldoen. Kreider et al. suggereren dat deze ongewenste afbraak, die tot anemie kan leiden, voorkomen kan worden door tijdelijk de eiwitinname te verhogen.

Bij beginnende krachttraining lijkt er dus sprake van een bijzondere situatie waarin mogelijk een verhoogde eiwitbehoefte optreedt als gevolg van schade aan de spier en/of een toegenomen netto eiwitsynthese. Het is voor de evaluatie van studies naar de eiwitbehoefte daarom van belang te weten of de proefpersonen nog onbekend met krachttraining zijn of dat zij al enige ervaring hebben.

In de studie van Lemon et al. (1992) (paragraaf 3.1.3) werden onervaren proefpersonen getest. Deze proefpersonen hadden voorafgaande aan de studie slechts een week getraind om onder andere de mate van spierpijn te reduceren. De auteurs vergelijken de aanbevelingen die zij voor deze proefpersonen doen (1.6-1.7 g/kg/d) met de bevindingen van een onderzoek van Tarnopolsky et al. (1988) waarin gevorderde bodybuilders in stikstofbalans waren met een eiwitinname van slechts 1.05g/kg/d. Lemon et al. concluderen dat het begin van een bodybuilding programma leidt tot een grotere spiereiwitturnover en een grotere netto eiwitsynthese wat resulteert in spiergroei, terwijl de gevorderde bodybuilder zich op een plateau bevindt met relatief weinig aanwas van spierweefsel. Deze visie komt dus min of meer overeen met die van Kreider et al..

Ondanks de grote invloed van deze factor wordt in review-artikelen weinig aandacht besteed aan het verschil tussen beginnende en gevorderde krachtsporters. Tarnopolsky (1993) maakt dit onderscheid wel en doet aanbevelingen op basis van slechts drie studies (de twee zojuist genoemde studies en het onderzoek dat besproken is in paragraaf 3.1.4). Voor beginnende krachtsporters noemt hij een waarde van ± 1.6 g/kg/d terwijl gevorderde bodybuilders, die op eenzelfde intensiteit blijven trainen met 1.2 g/kg/d kunnen volstaan. Verder schat hij dat gevorderde bodybuilders die de intensiteit van hun training toe laten nemen 1.4-1.7 g/kg/d eiwit nodig hebben. Dit is opmerkelijk aangezien de toename in trainingsintensiteit de eiwitbehoefte dan weer op het niveau van een beginner brengt. Het is helaas niet duidelijk op welk onderzoek Tarnopolsky deze laatste aanbeveling baseert.
Als Tarnopolsky gelijk heeft dan kan een verhoging van intensiteit misschien gezien worden als een soort 'begin van training'. Dit is voor de praktijk interessant aangezien veel krachtsporters tegenwoordig gebruik maken van periodisering; zij wisselen perioden van zware training af met perioden van lichtere training. De overgang van lichte naar zware training betekent een verhoging van de intensiteit en gaat vaak gepaard met spierpijn (schade aan de spier) en spiergroei (netto eiwitsynthese). Deze overgang is daarom te vergelijken met beginnende krachttraining waardoor inderdaad een verhoogde eiwitbehoefte op kan treden.


4.3 De energiebalans

Van alle factoren die een invloed hebben op de stikstofbalans (en daarmee de eiwitbehoefte) is de energiebalans een van de belangrijkste. Een positieve energiebalans veroorzaakt een toename in de stikstofbalans terwijl een negatieve energiebalans het vermogen van het lichaam om stikstof vast te houden vermindert (Butterfield, 1987).
De energiebalans wordt in grote lijnen via twee wegen bepaald: meer of minder eten en meer of minder bewegen.

Als iemand meer eet dan normaal zal dit dus resulteren in een toename van de stikstofbalans. Maar behalve dit kan een hogere energie-inname ook nog andere effecten teweeg brengen. Zo is er de studie van Forbes et al. (1989) waarin het effect van een energieoverschot onderzocht wordt door 13 vrouwelijke proefpersonen gedurende 3 weken op een hoog-energetisch dieet hun energetisch evenwicht te laten overschrijden met 5000-6700 kJ per dag. Van het extra ingenomen voedsel is slechts 6% eiwit wat neerkomt op 18-24 gram. Het resultaat is een toename van het lichaamsgewicht met 4.34 kg waarvan 46% vetvrije massa is. Daarnaast namen ook de onderzochte anabole hormonen, insuline, insuline-groeifactor1 en testosteron significant in concentratie toe. Dit kon volgens de wetenschappers de toename in vetvrije massa kan verklaren.

Omdat de energie-inname zo belangrijk is voor de stikstofbalans is het noodzakelijk dat deze factor in onderzoek naar de eiwitbehoefte goed gecontroleerd wordt. Uit de bespreking van de studies in hoofdstuk 3 is echter al gebleken dat dit niet altijd gebeurt. Sommige studies geven een groep proefpersonen extra eiwitten, en daarmee een bepaalde hoeveelheid extra energie, terwijl de controlegroep soms niets krijgt of een energieloos placebo. De energetische waarde van de gesupplementeerde eiwitten kan dan op zich al zorgen voor een positieve stikstofbalans die ook met bijvoorbeeld koolhydraten bereikt had kunnen worden.

In veel studies naar eiwitbehoefte voor sporters wordt regelmatig van niet-sporters gevraagd een trainingsprogramma te volgen. De start van zo'n programma brengt een toename in het energieverbruik met zich mee. Dit geldt dan voor zowel de experimentele als de controlegroep. Als hier geen extra energieconsumptie tegenover staat, zal de zo ontstane negatieve stikstofbalans een hogere eiwitbehoefte als gevolg van de (kracht)training suggereren. Butterfield (1987) merkt op dat in veel studies naar de eiwitbehoefte bij training, (niet specifiek krachttraining) waarbij de energiebalans in acht genomen wordt, lagere eiwitinnamen blijken te volstaan vergeleken met studies waar de controle op de energiebalans onvoldoende is. Blijkbaar valt de energiebalans, wanneer deze ongecontroleerd is, vaak negatief uit bij mensen die beginnen met trainen.

Een negatieve energiebalans is overigens niet altijd een ongewenste situatie. Vaak willen gewichtheffers wat gewicht verliezen om bijvoorbeeld binnen een bepaalde gewichtsklasse te kunnen sporten. Andere sporters zullen vet als overtollig gewicht zien dat hen belemmert een maximale prestatie te leveren tijdens lopen en springen. Bodybuilders tenslotte, willen hun vetpercentage verminderen om de spierontwikkeling zo goed mogelijk te kunnen tonen.
Om vetmassa kwijt te raken zullen deze sporters hun energieverbruik verhogen met behulp van bijvoorbeeld aërobe activiteiten en/of door hun energie-inname te verlagen met een dieet. Om te zorgen dat het gewichtsverlies beperkt blijft tot vetweefsel en eventueel glycogeen en water moet de stikstofbalans in evenwicht blijven.
Een studie van Walberg et al. (1988) heeft aangetoond dat bij gewichtheffers van wie de energiebalans negatief is ook de stikstofbalans negatief is als zij één maal de RDA aan eiwit innemen. Een verdubbeling van de eiwitinname, ten koste van koolhydraten, resulteerde daarentegen in een positieve stikstofbalans.

Het kan geconcludeerd worden dat de energiebalans een invloedrijke factor is in het onderzoek naar de eiwitbehoefte van krachtsporters. Het is daarom een slechte zaak dat ze niet altijd even goed gecontroleerd wordt. Aangezien een negatieve energiebalans door krachtsporters ook vaak met opzet wordt gecreëerd, zou deze bijzondere situatie uitgebreid onderzocht moeten worden. Het is op dit moment, door een gebrek aan relevante studies, echter nog niet mogelijk om aanbevelingen te doen voor wat betreft de optimale eiwitinname in perioden van een negatieve energiebalans.
Andersom geldt dat de eiwitvoorziening minder cruciaal wordt als de energieinname hoger is dan het energiegebruik. Omdat een positieve energiebalans gepaard gaat met een toename in de stikstofbalans is deze situatie zeer gunstig voor het opbouwen van spierweefsel.


4.4 Hormonale effecten van eiwitten en koolhydraten in het dieet

In de voorgaande paragraaf is uitgebreid gesproken over de relatie tussen de energiebalans en de eiwitbehoefte. Een van de redenen dat extra voedsel zorgt voor een positieve stikstofbalans is de afgifte van het hormoon insuline na een maaltijd. Insuline heeft een anabole werking: het stimuleert de opname van suikers en aminozuren in spierweefsel en verhoogt zowel de eiwitsynthese als de vetsynthese. Insuline komt alleen vrij wanneer koolhydraten of eiwitten gegeten worden. Vetten hebben dit effect niet. Uit een onderzoek van Richardson et al. (1979) blijkt bijvoorbeeld dat wanneer een deel van de vetten in een dieet vervangen wordt door koolhydraten, de stikstofbalans toeneemt. Of de toename van de insuline secretie, als gevolg van de extra koolhydraten, de enige oorzaak was voor het effect op het stikstofmetabolisme konden de onderzoekers niet zeggen.

Omdat insuline een belangrijke rol speelt in de stimulering van eiwitsynthese en in de opslag van suikers in de spier is de afgifte van dit hormoon belangrijk voor sportprestaties. Het blijkt dat een hogere niveau van insulinesecretie na een sportprestatie de snelheid bevordert waarmee glycogeen weer wordt aangevuld. In het onderzoek waarin dit is aangetoond bleek dat een combinatie van eiwitten en koolhydraten direct na duurtraining een grotere insuline respons en een hogere glycogeensynthese opleverde dan een iso-energetische hoeveelheid koolhydraten of eiwitten alleen (Zawadski et al., 1992). Een snellere glycogeensynthese is vooral gunstig voor duursporters: zij kunnen eerder weer trainen of (als glycogeen de beperkende factor is) langer een maximale prestatie leveren. Ook blijkt dat een zeer lage glycogeenconcentratie bij de aanvang van een duurtraining resulteert in een verhoogde oxidatie van eiwitten gedurende de training (Lemon & Mullin, 1980).
Voor krachtsporters is vooral van belang dat de hoge insuline respons bij de combinatie van koolhydraten en eiwitten de eiwitsynthese maximaal zal stimuleren. Daarnaast zijn spieren na krachttraining gevoeliger voor de stimulatie van de opname van aminozuren door insuline (Chandler et al., 1994) waardoor meer bouwstoffen voor de ondersteuning van de eiwitsynthese aangevoerd kunnen worden. De secretie van insuline leidt ook tot de afgifte van groeihormoon en insuline groeifactor-1 na respectievelijk 5-6 en 16-28 uur (Chandler et al., 1994). Deze twee hormonen stimuleren beide de opbouw van spierweefsel.

Het supplement dat gebruikt is door Zawadski et al. (1992) bevat 41 gram eiwitten, wat neerkomt op 0.56 g/kg voor de betreffende proefpersonen in één maaltijd. Dit geeft natuurlijk geen antwoord op de vraag hoeveel eiwit een krachtsporter op een dag zou moeten consumeren. Het is wel duidelijk dat voor een hoge insuline afgifte direct na een training, een eiwitrijke maaltijd aan te bevelen is.


4.5 Aerobe training naast de krachttraining

Veel sporters die krachttraining verrichten ter ondersteuning van hun sport zullen ook duurtrainingen doen. Tienkampers moeten bijvoorbeeld zowel een explosieve prestatie als een duurprestatie kunnen leveren. Voetballers doen krachttraining om hun sprintvermogen te ondersteunen maar willen tegelijkertijd ook de conditie hebben om een wedstrijd uit te kunnen spelen.
Dit is een belangrijk gegeven aangezien niet alleen krachttraining maar ook duurtraining de eiwitbehoefte vergroot. Dit gebeurt deels via verschillende mechanismen. Krachttraining kan de eiwitbehoefte verhogen door een verhoogde netto eiwitsynthese en het grotere verbruik van eiwitten voor herstel van spierbeschadigingen, met name na excentrische contracties. De reden voor een hoger eiwitverbruik bij duursporten ligt voornamelijk in de verbranding van eiwitten voor energie leverantie. Daarnaast is ook bij duurtraining, net als bij krachttraining, eiwit nodig als materiaal voor herstel van beschadigd spierweefsel. Vooral als de training een excentrische component bevat zoals bij hardlopen (Lemon, 1995).

De verbranding van eiwit/aminozuren voor energieleverantie bij duurtraining neemt toe met de trainingsintensiteit en de duur van de training. Het eerste effect is waarschijnlijk het gevolg van een trainingsintensiteit gerelateerde activering van het beperkende enzym "branched chain ketoacid dehydrogenase" dat oxidatie van een aantal aminozuren mogelijk maakt. Dat de eiwitoxidatie toeneemt naarmate de training langer duurt wordt veroorzaakt door de afnemende voorraad glucose in het lichaam in de loop van de training. Het lichaam kiest dan eiwitten als vervangende brandstof (Lemon, 1996).

In een onderzoek van Lemon en Mullin (1980) is de eiwitoxidatie vergeleken van twee groepen proefpersonen die een uur lang fietsen op 60% van de VO2 Max. De eerste groep ging drie dagen voorafgaand aan het onderzoek een uur fietsen met 70-75% VO2 Max om vervolgens drie dagen koolhydraatrijk te eten zodat de glycogeen concentratie in de spieren hoog zou zijn. De tweede groep fietste de avond voorafgaand aan de test ook een uur op 70-75% VO2 Max maar mocht daarna geen koolhydraten eten tot aan de test zodat ze een glycogeen uitputting bereikten. Tijdens de uiteindelijke test is de eiwitoxidatie van groep 1 op 4.4% vastgesteld terwijl de tweede groep 10.4% van zijn energie uit eiwitten haalde.

Uit meerdere studies blijkt dat bij een trainingsduur van meer dan een uur de eiwitoxidatie op zo'n 5-10% ligt (Paul, 1989). Deze waarden zijn gevonden door bepaling van leucine oxidatie en urea productie. In tegenstelling tot duurtraining heeft de bepaling van de leucine oxidatie in een typisch krachttrainingsprogramma van een uur (9 oefeningen van 3 series en 10 herhalingen bij 70% van de maximaalkracht) aangetoond dat de oxidatie van eiwitten zeer weinig bijdraagt aan de energieleverantie bij krachtsport (Tarnopolsky et al., 1991).

Omdat de eiwitbehoefte van duursporters afhankelijk is van de intensiteit en duur van de training, zal een meer gevorderde duursporter een grotere eiwitbehoefte hebben dan een beginner. Naar aanleiding van enkele stikstofbalans studies bij duursporters noemt Tarnopolsky een aanbeveling van 1,2 g/kg/d voor "goed getrainde" duursporters en van 1,6 g/kg/d aan eiwit voor "elite" duursporters (Tarnopolsky, 1993). Deze aanbevelingen zijn substantieel hoger dan de RDA en ADH.

Voor duursport geldt overigens, net als voor krachttraining, dat het starten ervan leidt tot een tijdelijke daling van de stikstofbalans. In een review-artikel van Paul (1989) wordt een onderzoek beschreven waarin een intensief fietsprogramma na 4 dagen leidt tot een negatieve stikstofbalans bij proefpersonen met een eiwitinname van 1,0 kg/g/d. Pas na 11 dagen keert de stikstofbalans terug naar een evenwicht; het lichaam lijkt zich aan de stress te hebben aangepast. Het is gesuggereerd dat nieuwe vormen van stress zoals de start van duurtraining of een nieuw trainingsprogramma kan leiden tot een daling van de stikstofbalans (Evans, 1991; Lemon, 1995). In deze situaties zou extra eiwit of extra energie-inname een uitkomst kunnen bieden. Na verloop van tijd zal het lichaam zich echter aanpassen zodat de stikstofbalans weer terug kan keren naar een balans, mits de aanvoer van eiwit voldoende is.

Ook al is voor duurtraining, net als bij krachttraining, aangetoond dat het de eiwitbehoefte verhoogt, er zijn geen studies verricht die het gecombineerde effect van deze twee typen trainingen op de eiwitbehoefte onderzoeken. Dit is verassend aangezien van duurtraining bekend is dat het de eiwitbehoefte verhoogt en wel via een ander mechanisme dan krachttraining. Een combinatie van deze twee typen trainingen zal daarom leiden tot een grotere eiwitbehoefte dan deze trainingen afzonderlijk!

Als een sporter naast krachttraining ook duurtraining doet zal hij in ieder geval moeten proberen niet in een negatieve energiebalans te raken. Dit kan best lastig zijn aangezien de totale trainingsduur langer wordt, het energieverbruik hoger en de tijd om te eten korter.
Als deze sporter een toename in spiermassa wil, dan zal hij/zij de energiebalans en eiwitinname zeer goed in de gaten moeten houden.


Inleiding
   
© 1998